Ricky gaat solo. Maar nu echt. Zonder band. Wel met een gitaar natuurlijk.
Ze heeft geen idee waarom, maar ze is onrustig. Ze heeft last van een rommelige kaaklijn, van mensen die te zacht praten, van kiwi’s uit Nieuw-Zeeland, van te lang in- en uitademen tijdens yoga en ze blijkt soms hardop te denken. Ze vertelt over haar puberzoon die niet meer op haar zit te wachten, terwijl haar ouders juist steeds meer aandacht vragen. Ondertussen weet ze niet of ze nog wel kan flirten met jongere mannen, omdat ze niet zeker weet of ze oud is of niet. Ze denkt van wel.
Met scherpe observaties kijkt Ricky naar haar omgeving én zichzelf. Is de wereld gek geworden of zit ze gewoon in een vreemde fase? Vrienden zeggen: “Je hebt een rare leeftijd, daar ligt het aan. Het is maar tijdelijk.”
Zelf had ze gehoopt dat ze op dit punt in haar leven eindelijk het gevoel zou hebben iets bereikt te hebben. Dat ze juichend rond zou lopen, bevrijd van de meningen van anderen. Wat gelukkig altijd helpt, is zingen. Dus zingt ze de mooiste liedjes als een jonge merel.